Hinky Dinky

Onderstaande tekst is afkomstig uit een werkstuk gemaakt op 14-jarige leeftijd van een van onze leden.


Wat zijn klederdrachten?

Tegenwoordig draagt iedereen wat anders en dat wordt dan ook niet elke dag gedragen. Vroeger was dat anders. Je kwam over het algemeen nooit buiten je eigen dorp en kende dus ook niemand buiten je dorp. Iedereen droeg dezelfde kleding, een klederdracht, ook wel streekdracht genoemd. Je had vier soorten. De door-de-weekse dracht, de zondagse dracht voor als je naar de kerk ging en de rouwdracht, ook weer onder te verdelen in de door-de-weekse rouwdracht en de zondagse rouwdracht. De rouwdracht droeg je als er een familielid of iemand anders waar je veel van hield gestorven was. Hij was veel donkerder dan de gewone dracht: zwart, donkerblauw, paars en donkergroen, maar dat verschilde per dorp.
Op het moment zijn er in Nederland naar schatting nog ongeveer 4000 vrouwen die dagelijks in klederdracht lopen, maar hun aantal wordt steeds kleiner. Wanneer je daar de hoogbejaarden vrouwen bijtelt komt hun aantal op bijna 5500. Maar zij lopen nog maar gedeeltelijk in dracht. Dit komt omdat bij het personeel in verzorgingstehuizen tijd en kennis ontbreekt om ze volgens de regels aan te kleden. Het grootste deel van de vrouwen die in klederdracht loopt woont in het dorpje Staphorst, met 1800 vrouwen, 600 mannen en 500 kinderen, al gaat hun aantal ook hier snel achteruit. Hier in Staphorst staan zelfs borden waarop te lezen staat: "Het is verboden om mensen zonder hun toestemming te fotograferen." Men kon op zondag niet meer naar de kerk zonder dat ze door toeristen met fototoestellen lastig gevallen werden.

De klederdracht van Scheveningen (Zuid-Holland)

Scheveningen, een 'dorpje' aan de Noordzee, heeft een dracht die sinds 1800 min of meer hetzelfde is. Doordat dit een vissersdorpje is / was, is de mode van de klederdracht benvloed door Spanje en Frankrijk.
Het Scheveningse kostuum De door-de-weekse dracht bestaat uit een hooggesloten jak gemaakt van wol in de kleur zachtblauw, zachtgroen, bruin of grijs. Daarbij wordt een zwarte rok gedragen (vroeger was die blauw) met daar overheen een fijngeruit schort, die op zondag door een zwart glanzend exemplaar vervangen wordt. Dit schort heeft witte zijranden omdat vroeger de zelfkant van de stof wit was. Tegenwoordig wordt er een witte band op genaaid. In de zomer wordt er een doek bij gedragen in de kleur van het jak. De doek is vierkant, maar wordt diagonaal gevouwen en met een speld worden in de nek enkele plooien van de doek vastgezet. Dit is om de nek vrij te houden voor de zak van de muts. Om de hals wordt een ketting van bloedkoraal of granaat gedragen. Hoe rijker je bent hoe meer rijen je ketting heeft. De huidige mutsvorm is nog niet oud. Omstreeks 1900 was de zak aan de achterkant veel kleiner. Op zondag wordt een kanten muts gedragen. Bij slecht weer en door de weeks wordt die vervangen door een effen witte. Onder de muts draagt men een oorijzer, die van zilver gemaakt is. Vroeger werd er eerst een klein zwart mutsje opgezet. Tegenwoordig wordt het oorijzer direct op het haar gedragen. Aan het oorijzer zitten op het voorhoofd twee knoppen van goud filigrain (de zogenaamde boeken) die met gouden hoedespelden worden vastgezet.
De rouwdracht is geheel zwart. De kanten muts van zondag wordt vervangen door n van dikke witte katoen. Er wordt een zwarte omslagdoek gedragen met door de weeks een zwart schort met een bijna onzichtbaar streepje. Ook het 's zondagse schort is geheel zwart. Er wordt geen ketting gedragen maar eventueel wel zwarte oorknopjes.

De klederdracht van Spakenburg (Utrecht)

De klederdracht voor vrouwen uit Spakenburg en het er naast gelegen Bunschoten is erg opvallend. De rok is lang en zwart, er onder wordt een zwart-wit gestreepte onderrok gedragen. Het schort is van blauw katoen, de bovenrand echter is van geruite stof.
Rok en schort worden zeer scherp gestreken tot kleine rechthoekjes.
Tijdens het werk (vis schoonmaken) wordt vaak een eenvoudig wit werkschort gedragen.
Het jak is zwart en heeft korte mouwtjes, daaraan worden losse geruite mouwtjes (dezelfde stof als de bovenrand van het schort) met spelden vastgemaakt.
Over het jak heen draagt de vrouw een rechthoekige kraplap van heel stijf gesteven katoen.
Deze kraplap, versierd met bloem- of andere motieven, wordt voor en achter met banden aan het jak vastgemaakt. Middenvoor en -achter zit er een strook geruite katoen overheen.
De kleur van de kraplap en van de geruite stof op mouwen en schort, is afhankelijk van de huiselijke omstandigheden. In gelukkige tijden zijn de kleuren vrolijk, voornamelijk rood en groen op een witte ondergrond. In zware rouw zijn de versieringen paars, donkerblauw en wit op een zwarte ondergrond en bij lichte rouw donker- en lichtblauw op een witte ondergrond.
Het mutsje is vrij klein, van zwart satijn gemaakt met daaroverheen een wit gehaakt overmutsje. Dit mutsje wordt achter op het hoofd gedragen en met spelden vastgezet. Het patroon van het witte gehaakte mutsje is zowat per persoon verschillend, vaak zelf bedacht en meestal zelf gehaakt.
Overigens is de Spakenburgse klederdracht door de grote stijve klaplap niet echt comfortabel voor volksdansers.

De klederdracht van Staphorst (Overijssel)

Een detail van het Staphorstse kostuum In Staphorst wonen verreweg de meeste mensen die nog dagelijks in klederdracht lopen: 1800 vrouwen, 600 mannen en 500 kinderen. Dat is meer dan de helft van de mensen die nog in Nederland in klederdracht loopt! Het is ook bijna de enige plaats waar jonge meisjes nog dagelijks in hun dracht lopen.
De daagse dracht bestaat uit een jakje met korte mouwen, een borstrok van zwarte zijde of zwarte dralon met ingeweven bloemen. Daar overheen gaat de kraplap van vrolijk gekleurde katoen of zwart satijn met handbedrukte bloemmotiefjes in rood, geel, wit en blauw. Over de kraplap komt een doek van rode katoen met ingeweven ruiten in blauw en wit, die diagonaal gevouwen wordt. Er wordt een halflange rok bij gedragen van donkerblauwe of zwarte stof met daarover een schort van blauwe katoen met een gebloemd of een geruit bovenstukje. Het schort is tweezijdig draagbaar met aan de andere kant een ander gebloemd of geruit bovenstukje. Dit is erg praktisch om altijd een schoon schort te hebben. De muts is van zwart satijn gemaakt en is weer bedrukt met rode, gele, blauwe en witte bloemetjes.
Hoelang de rouwdracht gedragen wordt hangt af van het verwantschap met de overledene. Dit varieert van een maand tot wel vier jaar bij jonge weduwen. Zij kunnen namelijk nog opnieuw trouwen. Oudere weduwen leggen hun rouw vaak helemaal niet meer af.
Van erg zware rouw (zeer donker), wordt de dracht na verloop van tijd steeds lichter en vrolijker. De rode doek wordt vervangen door een zwarte doek met blauwe ruiten. De kraplap kan f helemaal zwart zijn, f zwart met witte bloemetjes, f van zwart satijn met Staphorster stipwerk in wit of blauw / wit. Omdat in Staphorst veel mensen familie van elkaar zijn, komt de rouwdracht daar erg vaak voor.
De mannen dragen een zwart hemdrok, die gesloten wordt met een dubbele rij zilveren braamknopen. Verder een lange zwarte broek van Engels leer ofwel 'Pilo', dit ziet er sude-achtig uit. De broek wordt opgehouden door brede witte bretels. Op het hoofd staat een zwarte pet.

De klederdracht van Marken (Noord-Holland)

Deze klederdracht hebben wij niet, maar hierbij toch een beschrijving.

Marken is sinds 1200 na Christus een eiland. De mannen waren vissers en de vrouwen en kinderen kwamen in het algemeen nooit van het eiland af. Daardoor hadden de vrouwen veel tijd om mooie kleren te maken. Marken heeft dan ook een van de mooiste en kleurrijkste klederdrachten van Nederland. Tegenwoordig wordt de dracht niet meer door kinderen gedragen, maar veel vrouwen dragen het nog wel.
De daagse dracht uit de rouw bestaat uit een wit katoenen jak met mouwen van rood / wit / zwart gestreept katoen. Omdat je van het jak alleen de mouwen ziet is het niet nodig om het hele jak van die gestreepte stof te maken. Het jak wordt daarom ook wel 'de mouwen' genoemd. Dan komt er een veelkleurige onderrok. Over 'de mouwen' komt een prachtig gebloemd 'middelde', een soort korset. Daarover komt een rood voorpanden en een achterpand van zijde in blauw, groen of paars. Over de hals wordt een rechthoekige lap van vrolijk gekleurd katoen gespeld, de zogenaamde bauw. Dan komt een zwart wollen rok. In huis wordt daar een wit schort bij gedragen en buitenhuis een blauw exemplaar. Vroeger hoorde bij de dracht een ingewikkeld, uit twaalf onderdelen bestaande muts bij, de zogenaamde grote kap. Tegenwoordig dragen de vrouwen het vroegere meisjeskapje dat toch ook al weer uit zeven onderdelen bestaat. Het is van heel fijn, doorzichtig batist gemaakt met voor kant en een lint met borduursels. Op zondag heeft het vroegere meisjeskapje een strook met handgeklost kant met rozenmotief (rozenkant).
In de rouw zijn de mouwen van het jak zwart / wit gestreept en de kleuren van het 'middelde' veel gedempter. Het voorpand is wel rood, maar het achterpand is donkergroen. En verder is de bauw zwart van kleur.



[Home]       © Hinky Dinky